Wat is vuur in het Nederlands?
Wat is vuur in het Nederlands?. Online Nederlandstalig woordenboek. Wikilanguages.net is een gratis online woordenboek voor de Nederlandse taal. Dit is een professioneel en up-to-date woordenboek geschreven door ervaren woordenboekmakers.
Wat is vuur in het Nederlands? - Nederlands woordenboek
|
vuur |
vuur - Nederlands woordenboek
vuur
vuur - zelfstandig naamwoord
1. licht envlammendieje ziet als iets brandt
♢ toen de fabriek in brand stond, zagen we een groot vuur
1. hebt u vuur?
[een aansteker of lucifer voor mijn sigaret]
2. een pan op het vuur zetten
[op het gas]
3. ze gaat voor hem door het vuur
[wil alles voor hem doen]
4. met vuur spelen
[onvoorzichtig te werk gaan waardoor je jezelf en anderen in gevaar brengt]
5. in vuur en vlam staan
[heel verliefd zijn]
6. het nieuws ging als een lopend vuurtje
[iedereen wist het heel snel]
7. ik heb wel voor heter vuren gestaan
[heb wel moeilijker dingen gedaan]
8. hem het vuur na aan de schenen leggen
[scherp ondervragen, het hem lastig maken]
9. zich het vuur uit de sloffen lopen
[heel veel voor iemand doen]
10. meer ijzers in het vuur hebben
[meer mogelijkheden]
11. olie op het vuur gooien
[de emoties doen oplaaien]
12. waar rook is, is vuur
[van een gerucht is altijd wel iets waar]
13. vuur spuwen
[heel woedend zijn]
14. iets te vuur en te zwaard bestrijden
[met alle macht]
15. een vuurtje
[een aansteker of lucifer voor het aansteken van een sigaret]
2. enthousiasme en geestdrift
♢ met vuur heeft hij zijn plan verdedigd
Algemene uitdrukkingen:
1. hem onder vuur nemen
[op hem schieten]
2. tussen twee vuren zitten
[van twee kanten kritiek krijgen]
3. het vuur openen
[beginnen te schieten]
4. de vuurproef doorstaan
[slagen voor een zware test]
Zelfstandig naamwoord: vuur
het vuur
de vuren
het vuurtje
Andere woordenschat
vaag, vaak, vaardigheid, vaart, vaas, vaat, vader, vak, vakantie, val, vallen, vals, van, vanaf, vanavond, vandaag, vandaan, vandaar, vandalisme, vangen, vanmiddag, vanmorgen, vannacht, vanuit, vanwege, vanzelf, vanzelfsprekend, varen, varken, vast, u, ui, uilskuiken, uit, uitbarsting, uitbreiden, uitbroeden, uitdelen, uitdoen, uitdrukking, uiteindelijk, uiteraard, uiterst, uitgaan, uitgang, uitgangspunt, uitgeput, uitgerekend, uitgeven, uitgezonderd, uithalen, uitkering, uitkijken, uitkomen, uitkomst, uitlaat, uitleggen, uitleven, uitleveren, uitmaken
Woordenboeken
Nederlands Woordenboek
Het Nederlands is een West-Germaanse taal, de meest gebruikte taal in Nederland en België, de officiële taal van Suriname en een van de drie officiële talen van België. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden is het Nederlands ook een officiële taal van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Het Nederlands is na Engels en Duits de meest gesproken Germaanse taal.
In de Europese Unie spreken ongeveer 25 miljoen mensen Nederlands als eerste taal, en een bijkomende acht miljoen als tweede taal. De Franse Westhoek en de regio rondom de Duitse stad Kleef zijn van oudsher Nederlandstalige gebieden, waar Nederlandse dialecten mogelijk nog gesproken worden door de oudste generaties. Ook in de voormalige kolonie Indonesië kunnen in sommige gebieden de oudste generaties nog Nederlands spreken. Het aantal sprekers van het Nederlands in de Verenigde Staten, Canada en Australië wordt geschat op ruim een half miljoen.
Het Afrikaans, een van de officiële talen van Zuid-Afrika, is een dochtertaal van het Nederlands en beide talen zijn onderling verstaanbaar.
