Wat is punt in het Nederlands?

Bijgewerkt: 18-07-2026 by Wikilanguages.net
☞ share facebook ☞ share twitter

Wat is punt in het Nederlands?. Online Nederlandstalig woordenboek. Wikilanguages.net is een gratis online woordenboek voor de Nederlandse taal. Dit is een professioneel en up-to-date woordenboek geschreven door ervaren woordenboekmakers.

Wat is punt in het Nederlands? - Nederlands woordenboek

punt pronunciation punt
punt - zelfstandig naamwoord1. bepaalde ruimteof punt in de ruimte♢ dathuis ligt op een mooi punt2. scherp uiteinde♢ er zit een punt aan dit potlood1. op het puntje van zijn stoel zitten [heel goed opletten]2. het ligt op het puntje van mijn tong [ik weet het, maar kan er even niet opk

punt - Nederlands woordenboek

punt

punt - zelfstandig naamwoord

1. bepaalde ruimteof punt in de ruimte
dathuis ligt op een mooi punt
2. scherp uiteinde
♢ er zit een punt aan dit potlood
1. op het puntje van zijn stoel zitten
[heel goed opletten]
2. het ligt op het puntje van mijn tong
[ik weet het, maar kan er even niet opkomen]
3. daar kunnen ze een puntje aan zuigen
[een voorbeeld aan nemen]
4. tot in de puntjes verzorgd
[heel netjes]
3. hoek van vierkante lap
♢ met een punt van de zakdoek veegde hij zich schoon
4. gespreksonderwerp
♢ over het laatste punt wil ik nog even verder praten
1. dat is een teer punt
[je kunt er beter niet over praten]
2. ergens een punt van maken
[er moeilijk over doen]
3. een omstreden punt
[waarover verschil van mening bestaat]
5. eenheid in het spel
♢ hij haalde tien punten
6. leesteken in de vorm van een stip aan het eind van een zin
♢ een punt geeft aan dat men bij het lezen de stem moet laten dalen
1. dubbele punt
[leesteken dat bestaat uit twee stippen boven elkaar, die dienen om iets aan te kondigen]

Algemene uitdrukkingen:
1. we stonden op het punt om te vertrekken
[we zouden juist vertrekken]
2. als puntje bij paaltje komt
[als het eropaan komt]
Zelfstandig naamwoord: punt
de punt
de punten
het puntje

Synoniemen
locatie, oord, plaats, plek, stek

pa, paar, paard, paars, pak, pakken, paleis, pan, pantalon, panty, papa, papier, parallel, pardon, parkeren, parlement, parmantig, part, particulier, partij, partner, pas, passagier, passen, pastoor, patiënt, patserig, pauze, pech, peer, u, ui, uilskuiken, uit, uitbarsting, uitbreiden, uitbroeden, uitdelen, uitdoen, uitdrukking, uiteindelijk, uiteraard, uiterst, uitgaan, uitgang, uitgangspunt, uitgeput, uitgerekend, uitgeven, uitgezonderd, uithalen, uitkering, uitkijken, uitkomen, uitkomst, uitlaat, uitleggen, uitleven, uitleveren, uitmaken

Dutch

Woordenboeken

  • Nederlands Nederlands
  • Nederlands Woordenboek

    Het Nederlands is een West-Germaanse taal, de meest gebruikte taal in Nederland en België, de officiële taal van Suriname en een van de drie officiële talen van België. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden is het Nederlands ook een officiële taal van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Het Nederlands is na Engels en Duits de meest gesproken Germaanse taal.

    In de Europese Unie spreken ongeveer 25 miljoen mensen Nederlands als eerste taal, en een bijkomende acht miljoen als tweede taal. De Franse Westhoek en de regio rondom de Duitse stad Kleef zijn van oudsher Nederlandstalige gebieden, waar Nederlandse dialecten mogelijk nog gesproken worden door de oudste generaties. Ook in de voormalige kolonie Indonesië kunnen in sommige gebieden de oudste generaties nog Nederlands spreken. Het aantal sprekers van het Nederlands in de Verenigde Staten, Canada en Australië wordt geschat op ruim een half miljoen.

    Het Afrikaans, een van de officiële talen van Zuid-Afrika, is een dochtertaal van het Nederlands en beide talen zijn onderling verstaanbaar.

    Dutch