Wat is vlak in het Nederlands?

Bijgewerkt: 18-07-2026 by Wikilanguages.net
☞ share facebook ☞ share twitter

Wat is vlak in het Nederlands?. Online Nederlandstalig woordenboek. Wikilanguages.net is een gratis online woordenboek voor de Nederlandse taal. Dit is een professioneel en up-to-date woordenboek geschreven door ervaren woordenboekmakers.

Wat is vlak in het Nederlands? - Nederlands woordenboek

vlak pronunciation vlak
vlak - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord1. met een oppervlakzonder bobbels♢ op een vlak stuk land zetten we de tent op2. zonder hoogte- en dieptepunten♢ haar stem klonk wat vlak3. zonder eigen karakter♢ de stijl van zijn brief is formeel en vlak1. meteen of direc

vlak - Nederlands woordenboek

vlak

vlak - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord

1. met een oppervlakzonder bobbels
♢ op een vlak stuk land zetten we de tent op
2. zonder hoogte- en dieptepunten
♢ haar stem klonk wat vlak
3. zonder eigen karakter
♢ de stijl van zijn brief is formeel en vlak

1. meteen of direct
♢ vlak na zijn verjaardag moest hij op reis

1. wat bij een vak of hobby hoort
♢ op het financiële vlak heeft hij niets te vertellen
1. problemen op het persoonlijke vlak
[persoonlijke problemen]
2. zonder hoogte- of dieptepunten
♢ haar stem klonk erg vlak
1. zich op een hellend vlak bevinden
[in een situatie die erger kan worden]

Bijvoeglijk naamwoord: vlak
... is vlakker dan ...
het vlakst
de/het vlakke ...
iets vlaks

Bijwoord: vlak

Synoniemen
effen, egaal, gelijk, onpersoonlijk, toonloos

Tegenstellingen
ongelijkheid, persoonlijk

Zelfstandig naamwoord: vlak
het vlak
de vlakken
het vlakje

Synoniemen
domein, gebied, terrein

vlak

vlak - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord

1. met een oppervlakzonder bobbels
♢ op een vlak stuk land zetten we de tent op
2. zonder hoogte- en dieptepunten
♢ haar stem klonk wat vlak
3. zonder eigen karakter
♢ de stijl van zijn brief is formeel en vlak

1. meteen of direct
♢ vlak na zijn verjaardag moest hij op reis

1. wat bij een vak of hobby hoort
♢ op het financiële vlak heeft hij niets te vertellen
1. problemen op het persoonlijke vlak
[persoonlijke problemen]
2. zonder hoogte- of dieptepunten
♢ haar stem klonk erg vlak
1. zich op een hellend vlak bevinden
[in een situatie die erger kan worden]

Bijvoeglijk naamwoord: vlak
... is vlakker dan ...
het vlakst
de/het vlakke ...
iets vlaks

Bijwoord: vlak

Synoniemen
effen, egaal, gelijk, onpersoonlijk, toonloos

Tegenstellingen
ongelijkheid, persoonlijk

Zelfstandig naamwoord: vlak
het vlak
de vlakken
het vlakje

Synoniemen
domein, gebied, terrein

vlak

vlak - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord

1. met een oppervlakzonder bobbels
♢ op een vlak stuk land zetten we de tent op
2. zonder hoogte- en dieptepunten
♢ haar stem klonk wat vlak
3. zonder eigen karakter
♢ de stijl van zijn brief is formeel en vlak

1. meteen of direct
♢ vlak na zijn verjaardag moest hij op reis

1. wat bij een vak of hobby hoort
♢ op het financiële vlak heeft hij niets te vertellen
1. problemen op het persoonlijke vlak
[persoonlijke problemen]
2. zonder hoogte- of dieptepunten
♢ haar stem klonk erg vlak
1. zich op een hellend vlak bevinden
[in een situatie die erger kan worden]

Bijvoeglijk naamwoord: vlak
... is vlakker dan ...
het vlakst
de/het vlakke ...
iets vlaks

Bijwoord: vlak

Synoniemen
effen, egaal, gelijk, onpersoonlijk, toonloos

Tegenstellingen
ongelijkheid, persoonlijk

Zelfstandig naamwoord: vlak
het vlak
de vlakken
het vlakje

Synoniemen
domein, gebied, terrein

vaag, vaak, vaardigheid, vaart, vaas, vaat, vader, vak, vakantie, val, vallen, vals, van, vanaf, vanavond, vandaag, vandaan, vandaar, vandalisme, vangen, vanmiddag, vanmorgen, vannacht, vanuit, vanwege, vanzelf, vanzelfsprekend, varen, varken, vast, laag, laars, laat, laatst, lachen, laf, lak, laken, lam, lamlendig, lamp, lanceren, land, lang, langzaam, lantaarn, last, lastig, lastpak, laten, later, lauw, lawaai, leeftijd, leeg, leer, leerling, leger, leggen, leiden

Dutch

Woordenboeken

  • Nederlands Nederlands
  • Nederlands Woordenboek

    Het Nederlands is een West-Germaanse taal, de meest gebruikte taal in Nederland en België, de officiële taal van Suriname en een van de drie officiële talen van België. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden is het Nederlands ook een officiële taal van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Het Nederlands is na Engels en Duits de meest gesproken Germaanse taal.

    In de Europese Unie spreken ongeveer 25 miljoen mensen Nederlands als eerste taal, en een bijkomende acht miljoen als tweede taal. De Franse Westhoek en de regio rondom de Duitse stad Kleef zijn van oudsher Nederlandstalige gebieden, waar Nederlandse dialecten mogelijk nog gesproken worden door de oudste generaties. Ook in de voormalige kolonie Indonesië kunnen in sommige gebieden de oudste generaties nog Nederlands spreken. Het aantal sprekers van het Nederlands in de Verenigde Staten, Canada en Australië wordt geschat op ruim een half miljoen.

    Het Afrikaans, een van de officiële talen van Zuid-Afrika, is een dochtertaal van het Nederlands en beide talen zijn onderling verstaanbaar.

    Dutch