Wat is recht in het Nederlands?
Wat is recht in het Nederlands?. Online Nederlandstalig woordenboek. Wikilanguages.net is een gratis online woordenboek voor de Nederlandse taal. Dit is een professioneel en up-to-date woordenboek geschreven door ervaren woordenboekmakers.
Wat is recht in het Nederlands? - Nederlands woordenboek
|
recht |
recht - Nederlands woordenboek
recht
recht - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord
1. niet gebogen
♢ teken een rechte lijn
1. recht op doel af
[zonder omwegen]
2. recht praten wat krom is
[slechte dingen goedpraten]
3. recht voor zijn raap
[eerlijk en zonder omwegen]
4. recht op iemand afstevenen
[doelbewust naar hem toe lopen]
5. iemand recht in de ogen kunnen kijken
[niets te verbergen hebben voor hem]
6. recht voor zijn raap
[op de man af, zonder omwegen]
7. hou je roer recht
[val niet, wankel niet]
8. recht tegenover
[precies aan de overzijde]
2. horizontaal of verticaal
♢ het schilderij hangt recht
1. recht tegenover mij
[precies tegenover mij]
2. een rechte hoek
[gevormd door twee lijnen haaks op elkaar]
3. met lijnen die haaks op elkaar staan
♢ deze twee lijnen vormen een rechte hoek
4. juist, moreel goed
♢ hij heeft het rechte pad verlaten
1. het bij het rechte eind hebben
[gelijk hebben]
2. van het rechte pad afdwalen
[in de criminaliteit terechtkomen]
1. geheel van wetten en regels
♢ dit is in strijd met het Nederlandse recht
1. hij studeert rechten
[bestudeert het geheel van wetten en regels]
2. het recht aan zijn kant hebben
[gelijk hebben]
3. ongeschreven recht
[dat niet in wetten is vastgelegd]
2. wat je mag doen of hebben
♢ iedereen heeft recht op onderwijs
1. gelijke rechten hebben
[hetzelfde mogen doen of hebben]
2. daar heb ik recht op
[volgens afspraak moet ik het mogen of krijgen]
3. dat is zijn goed recht
[hij mag dat]
3. wat eerlijk en rechtvaardig is
♢ je moet hem wel recht doen
1. met recht
[op grond van goede redenen]
2. recht doen aan iets
[de waarde ervan goed laten uitkomen]
3. het recht van de sterkste
[de sterkste is de baas]
4. het bezit of het gebruik ervan kunnen opeisen
♢ zij heeft recht op een uitkering
1. het recht in eigen hand nemen
[zelf voor rechter spelen]
2. genade voor recht laten gelden
[iemand zijn straf kwijtschelden]
3. dat is mijn goed recht
[dat kan ik eisen of vragen]
4. waar niets is, verliest de keizer zijn recht
[als iemand niets heeft, valt er ook niets te halen]
5. tot zijn recht komen
[zich voldoende kunnen laten gelden]
6. recht van overpad
[om over iemands land te gaan]
Algemene uitdrukkingen:
1. recht gebreid
[waarbij de steken aan de voorkant zijn ingestoken]
Bijvoeglijk naamwoord: recht
... is rechter dan ...
de/het rechte ...
Tegenstellingen
krom, schuin
Algemene uitdrukkingen:
1. tot zijn recht komen
[goed uitkomen]
Zelfstandig naamwoord: recht
het recht
de rechten
Synoniemen
aanspraak
Tegenstellingen
onrecht, plicht, taak
recht
recht - bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord
1. niet gebogen
♢ teken een rechte lijn
1. recht op doel af
[zonder omwegen]
2. recht praten wat krom is
[slechte dingen goedpraten]
3. recht voor zijn raap
[eerlijk en zonder omwegen]
4. recht op iemand afstevenen
[doelbewust naar hem toe lopen]
5. iemand recht in de ogen kunnen kijken
[niets te verbergen hebben voor hem]
6. recht voor zijn raap
[op de man af, zonder omwegen]
7. hou je roer recht
[val niet, wankel niet]
8. recht tegenover
[precies aan de overzijde]
2. horizontaal of verticaal
♢ het schilderij hangt recht
1. recht tegenover mij
[precies tegenover mij]
2. een rechte hoek
[gevormd door twee lijnen haaks op elkaar]
3. met lijnen die haaks op elkaar staan
♢ deze twee lijnen vormen een rechte hoek
4. juist, moreel goed
♢ hij heeft het rechte pad verlaten
1. het bij het rechte eind hebben
[gelijk hebben]
2. van het rechte pad afdwalen
[in de criminaliteit terechtkomen]
1. geheel van wetten en regels
♢ dit is in strijd met het Nederlandse recht
1. hij studeert rechten
[bestudeert het geheel van wetten en regels]
2. het recht aan zijn kant hebben
[gelijk hebben]
3. ongeschreven recht
[dat niet in wetten is vastgelegd]
2. wat je mag doen of hebben
♢ iedereen heeft recht op onderwijs
1. gelijke rechten hebben
[hetzelfde mogen doen of hebben]
2. daar heb ik recht op
[volgens afspraak moet ik het mogen of krijgen]
3. dat is zijn goed recht
[hij mag dat]
3. wat eerlijk en rechtvaardig is
♢ je moet hem wel recht doen
1. met recht
[op grond van goede redenen]
2. recht doen aan iets
[de waarde ervan goed laten uitkomen]
3. het recht van de sterkste
[de sterkste is de baas]
4. het bezit of het gebruik ervan kunnen opeisen
♢ zij heeft recht op een uitkering
1. het recht in eigen hand nemen
[zelf voor rechter spelen]
2. genade voor recht laten gelden
[iemand zijn straf kwijtschelden]
3. dat is mijn goed recht
[dat kan ik eisen of vragen]
4. waar niets is, verliest de keizer zijn recht
[als iemand niets heeft, valt er ook niets te halen]
5. tot zijn recht komen
[zich voldoende kunnen laten gelden]
6. recht van overpad
[om over iemands land te gaan]
Algemene uitdrukkingen:
1. recht gebreid
[waarbij de steken aan de voorkant zijn ingestoken]
Bijvoeglijk naamwoord: recht
... is rechter dan ...
de/het rechte ...
Tegenstellingen
krom, schuin
Algemene uitdrukkingen:
1. tot zijn recht komen
[goed uitkomen]
Zelfstandig naamwoord: recht
het recht
de rechten
Synoniemen
aanspraak
Tegenstellingen
onrecht, plicht, taak
Andere woordenschat
raad, raam, raar, rad, radio, raken, raket, rand, rapport, rat, rats, reactie, reageren, recent, recept, recht, rechtbank, rechtdoor, rechter, rechthoek, rechts, rechtsaf, rechtvaardig, redden, redelijk, reden, reduceren, reeds, reeks, regel, echt, echter, echtgenoot, economie, economisch, een, eenheid, eens, eenstemmig, eentonig, eenvoudig, eenzaam, eer, eerder, eerlijk, eerst, eetlust, eeuw, efficiënt, egoïst, ei, eigen, eigenaardig, eigendom, eigenlijk, eigenschap, eik, eiland, eind, eindelijk
Woordenboeken
Nederlands Woordenboek
Het Nederlands is een West-Germaanse taal, de meest gebruikte taal in Nederland en België, de officiële taal van Suriname en een van de drie officiële talen van België. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden is het Nederlands ook een officiële taal van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Het Nederlands is na Engels en Duits de meest gesproken Germaanse taal.
In de Europese Unie spreken ongeveer 25 miljoen mensen Nederlands als eerste taal, en een bijkomende acht miljoen als tweede taal. De Franse Westhoek en de regio rondom de Duitse stad Kleef zijn van oudsher Nederlandstalige gebieden, waar Nederlandse dialecten mogelijk nog gesproken worden door de oudste generaties. Ook in de voormalige kolonie Indonesië kunnen in sommige gebieden de oudste generaties nog Nederlands spreken. Het aantal sprekers van het Nederlands in de Verenigde Staten, Canada en Australië wordt geschat op ruim een half miljoen.
Het Afrikaans, een van de officiële talen van Zuid-Afrika, is een dochtertaal van het Nederlands en beide talen zijn onderling verstaanbaar.
