Wat is macht in het Nederlands?
Wat is macht in het Nederlands?. Online Nederlandstalig woordenboek. Wikilanguages.net is een gratis online woordenboek voor de Nederlandse taal. Dit is een professioneel en up-to-date woordenboek geschreven door ervaren woordenboekmakers.
Wat is macht in het Nederlands? - Nederlands woordenboek
|
macht |
macht - Nederlands woordenboek
macht
macht - zelfstandig naamwoord
1. kracht om iets te doen
♢we duwden uit alle macht
1. boven je macht werken
[met je handen boven je hoofd]
2. wewaren niet bij machte om ...
[niet in staat om ...]
3. uit alle macht
[met de grootste inspanning]
4. eendracht maakt macht
[eensgezindheid maakt sterk]
5. kennis is macht
[wie veel weet, heeft ook veel invloed]
6. met man en macht
[met alle beschikbare hulp]
7. boven zijn macht werken
[met de handen boven het hoofd]
2. groep mensen met speciale taak
♢de rechterlijke macht
1. de gewapende macht
[door de staat georganiseerde krijgsmacht]
2. een hogere macht
[bovenaards wezen of principe dat het lot van de mensen bepaalt]
3. de uitvoerende macht
[de regering, het bestuur]
4. de wetgevende macht
[de kroon en het parlement samen]
5. de rechterlijke macht
[de rechters]
3. getal dat aangeeft hoe vaak je een getal met zichzelf moet vermenigvuldigen
♢twee tot de macht twee = 2 x 2
4. het ergens invloed op hebben, er de baas over zijn
♢de minister heeft meer macht dan de koningin
1. op het toppunt van zijn macht
[toen hij het meest te vertellen had]
2. de macht over het stuur verliezen
[de auto niet meer onder controle hebben]
3. de ouderlijke macht
[wat ouders over kinderen te vertellen hebben]
5. het aantal keer dat een getal met zichzelf vermenigvuldigd moet worden bij machtsverheffen
♢in 2 ^3 is 3 de macht en moet je uitrekenen 2 x 2 x 2
Zelfstandig naamwoord: macht
de macht
de machten
Synoniemen
vermogen, capaciteit, potentie, exponent
Tegenstellingen
onvermogen, onmacht, machteloosheid
Andere woordenschat
ma, maag, maal, maaltijd, maan, maand, maandag, maar, maart, maat, maatregel, maatschappij, machine, machinist, macht, machtig, maf, mager, magneet, maillot, maken, makreel, malaria, maling, mama, man, manager, mand, mandarijn, manier, aan, aanbieden, aanbranden, aandacht, aandoen, aandrijven, aangeven, aangezien, aanhouden, aankijken, aankleden, aankomen, aankoop, aanleg, aanleiding, aannemen, aanpakken, aanpassen, aanraken, aanranden, aanrijding, aansnijden, aansteken, aantal, aantonen, aantrekken, aanvaarden, aanvallen, aanvankelijk, aanvoerder
Woordenboeken
Nederlands Woordenboek
Het Nederlands is een West-Germaanse taal, de meest gebruikte taal in Nederland en België, de officiële taal van Suriname en een van de drie officiële talen van België. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden is het Nederlands ook een officiële taal van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Het Nederlands is na Engels en Duits de meest gesproken Germaanse taal.
In de Europese Unie spreken ongeveer 25 miljoen mensen Nederlands als eerste taal, en een bijkomende acht miljoen als tweede taal. De Franse Westhoek en de regio rondom de Duitse stad Kleef zijn van oudsher Nederlandstalige gebieden, waar Nederlandse dialecten mogelijk nog gesproken worden door de oudste generaties. Ook in de voormalige kolonie Indonesië kunnen in sommige gebieden de oudste generaties nog Nederlands spreken. Het aantal sprekers van het Nederlands in de Verenigde Staten, Canada en Australië wordt geschat op ruim een half miljoen.
Het Afrikaans, een van de officiële talen van Zuid-Afrika, is een dochtertaal van het Nederlands en beide talen zijn onderling verstaanbaar.
