Wat is appel in het Nederlands?
Wat is appel in het Nederlands?. Online Nederlandstalig woordenboek. Wikilanguages.net is een gratis online woordenboek voor de Nederlandse taal. Dit is een professioneel en up-to-date woordenboek geschreven door ervaren woordenboekmakers.
Wat is appel in het Nederlands? - Nederlands woordenboek
|
appel |
appel - Nederlands woordenboek
appel
appel - zelfstandig naamwoord
uitspraak: ap-pel
1. ronde vrucht met klokhuisen pitjes
♢ als jetrek hebt, neem je maar een appel
1. een appeltje voor de dorst bewaren
[geld opzij leggen voor later]
2. an Apple a day keeps the Android away (MS)
[elke dag gelukkig zijn met je iPhone of iPad]
3. voor een appel en een ei
[voor heel weinig geld]
4. geen Apples met Blackberries vergelijken
[smartphones van verschillende merken niet langs dezelfde meetlat leggen]
5. de appel valt niet ver van de boom
[kinderen lijken meestal op hun ouders]
6. wie appelen vaart, die appelen eet
[als je werk voor een ander doet, profiteer je daar meestal ook zelf van]
Zelfstandig naamwoord: ap-pel
de appel
de appels of appelen
het appeltje
appel
appel - zelfstandig naamwoord
uitspraak: ap-pel
1. ronde vrucht met klokhuisen pitjes
♢ als jetrek hebt, neem je maar een appel
1. een appeltje voor de dorst bewaren
[geld opzij leggen voor later]
2. an Apple a day keeps the Android away (MS)
[elke dag gelukkig zijn met je iPhone of iPad]
3. voor een appel en een ei
[voor heel weinig geld]
4. geen Apples met Blackberries vergelijken
[smartphones van verschillende merken niet langs dezelfde meetlat leggen]
5. de appel valt niet ver van de boom
[kinderen lijken meestal op hun ouders]
6. wie appelen vaart, die appelen eet
[als je werk voor een ander doet, profiteer je daar meestal ook zelf van]
Zelfstandig naamwoord: ap-pel
de appel
de appels of appelen
het appeltje
Andere woordenschat
aan, aanbieden, aanbranden, aandacht, aandoen, aandrijven, aangeven, aangezien, aanhouden, aankijken, aankleden, aankomen, aankoop, aanleg, aanleiding, aannemen, aanpakken, aanpassen, aanraken, aanranden, aanrijding, aansnijden, aansteken, aantal, aantonen, aantrekken, aanvaarden, aanvallen, aanvankelijk, aanvoerder, pa, paar, paard, paars, pak, pakken, paleis, pan, pantalon, panty, papa, papier, parallel, pardon, parkeren, parlement, parmantig, part, particulier, partij, partner, pas, passagier, passen, pastoor, patiënt, patserig, pauze, pech, peer
Woordenboeken
Nederlands Woordenboek
Het Nederlands is een West-Germaanse taal, de meest gebruikte taal in Nederland en België, de officiële taal van Suriname en een van de drie officiële talen van België. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden is het Nederlands ook een officiële taal van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Het Nederlands is na Engels en Duits de meest gesproken Germaanse taal.
In de Europese Unie spreken ongeveer 25 miljoen mensen Nederlands als eerste taal, en een bijkomende acht miljoen als tweede taal. De Franse Westhoek en de regio rondom de Duitse stad Kleef zijn van oudsher Nederlandstalige gebieden, waar Nederlandse dialecten mogelijk nog gesproken worden door de oudste generaties. Ook in de voormalige kolonie Indonesië kunnen in sommige gebieden de oudste generaties nog Nederlands spreken. Het aantal sprekers van het Nederlands in de Verenigde Staten, Canada en Australië wordt geschat op ruim een half miljoen.
Het Afrikaans, een van de officiële talen van Zuid-Afrika, is een dochtertaal van het Nederlands en beide talen zijn onderling verstaanbaar.
