Wat is staat in het Nederlands?

Bijgewerkt: 18-07-2026 by Wikilanguages.net
☞ share facebook ☞ share twitter

Wat is staat in het Nederlands?. Online Nederlandstalig woordenboek. Wikilanguages.net is een gratis online woordenboek voor de Nederlandse taal. Dit is een professioneel en up-to-date woordenboek geschreven door ervaren woordenboekmakers.

Wat is staat in het Nederlands? - Nederlands woordenboek

staat pronunciation staat
staat - zelfstandig naamwoord1. gebied binnen bepaalde grenzen met eigen regering♢ dit is een bedrijf van de staat2. hoe iets of iemand is♢ het gebouw is in zijn oude staat hersteld1. in staat van opwinding [erg opgewonden]2. de auto is nog in goede staat [hij is nog goed]3. de staat v

staat - Nederlands woordenboek

staat

staat - zelfstandig naamwoord

1. gebied binnen bepaalde grenzen met eigen regering
dit is een bedrijf van de staat
2. hoe iets of iemand is
♢ het gebouw is in zijn oude staat hersteld
1. in staat van opwinding
[erg opgewonden]
2. de auto is nog in goede staat
[hij is nog goed]
3. de staat van beleg
[het gezag is in handen van de militairen]
4. de echtelijke staat
[het getrouwd zijn]
5. in gezegende staat zijn
[zwanger zijn]
6. in alle staten zijn
[heel erg opgewonden]
7. in staat zijn
[het kunnen]
8. tot alles in staat zijn
[zonder nadenken de ergste dingen kunnen doen]
9. de burgerlijke staat
[geeft aan wat iemands handelingsbevoegdheid is]
3. overzicht, lijst
♢ op dit staatje kun je zien wat je verdient
1. zijn staat van dienst
[het overzicht van zijn prestaties]
2. er geen staat op kunnen maken
[niet voorspelbaar zijn]

Algemene uitdrukkingen:
1. hij is in staat om ....
[hij kan het]
2. hij is tot alles in staat
[je kunt alles van hem verwachten]
Zelfstandig naamwoord: staat
de staat
de staten
het staatje

Synoniemen
gesteldheid, land, mogendheid, tabel, toestand

saai, sadist, salami, salaris, samen, samenleving, samenstelling, samenwerking, sanctie, schaar, schaars, schaats, schade, schaduw, schakelen, schaven, schedel, scheef, scheiding, scheidsrechter, scheikundig, schelen, schenken, schep, scheppen, scherp, scheuren, schieten, schijf, schijnbaar, taak, taal, taart, tablet, tafel, tak, tamelijk, tand, tang, tank, tante, tarief, tartaar, taxi, te, techniek, technisch, teer, tegel, tegelijk, tegen, tegenhouden, tegenover, tegenstander, tegenstelling, tegenstrijdig, tegenvallen, tegenwoordig, tegenzin, teken

Dutch

Woordenboeken

  • Nederlands Nederlands
  • Nederlands Woordenboek

    Het Nederlands is een West-Germaanse taal, de meest gebruikte taal in Nederland en België, de officiële taal van Suriname en een van de drie officiële talen van België. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden is het Nederlands ook een officiële taal van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Het Nederlands is na Engels en Duits de meest gesproken Germaanse taal.

    In de Europese Unie spreken ongeveer 25 miljoen mensen Nederlands als eerste taal, en een bijkomende acht miljoen als tweede taal. De Franse Westhoek en de regio rondom de Duitse stad Kleef zijn van oudsher Nederlandstalige gebieden, waar Nederlandse dialecten mogelijk nog gesproken worden door de oudste generaties. Ook in de voormalige kolonie Indonesië kunnen in sommige gebieden de oudste generaties nog Nederlands spreken. Het aantal sprekers van het Nederlands in de Verenigde Staten, Canada en Australië wordt geschat op ruim een half miljoen.

    Het Afrikaans, een van de officiële talen van Zuid-Afrika, is een dochtertaal van het Nederlands en beide talen zijn onderling verstaanbaar.

    Dutch