Wat is dak in het Nederlands?

Bijgewerkt: 18-07-2026 by Wikilanguages.net
☞ share facebook ☞ share twitter

Wat is dak in het Nederlands?. Online Nederlandstalig woordenboek. Wikilanguages.net is een gratis online woordenboek voor de Nederlandse taal. Dit is een professioneel en up-to-date woordenboek geschreven door ervaren woordenboekmakers.

Wat is dak in het Nederlands? - Nederlands woordenboek

dak pronunciation dak
dak - zelfstandig naamwoord1. wat een huisofauto bedekt♢ erzit een vogel op het dak1. het van de daken schreeuwen [het overal vertellen]2. iemand op je dak krijgen [hem onverwacht op bezoek krijgen]3. geen dak boven je hoofd hebben [geen huis om in te wonen]4. onder dak zijn [huisvesting

dak - Nederlands woordenboek

dak

dak - zelfstandig naamwoord

1. wat een huisofauto bedekt
erzit een vogel op het dak
1. het van de daken schreeuwen
[het overal vertellen]
2. iemand op je dak krijgen
[hem onverwacht op bezoek krijgen]
3. geen dak boven je hoofd hebben
[geen huis om in te wonen]
4. onder dak zijn
[huisvesting gevonden hebben]
5. een dak boven je hoofd hebben
[een woning hebben]
6. uit je dak gaan
[uitzinnig worden van woede of blijdschap]
7. ga nou gauw op het dak zitten!
[ik geloof je niet; ik wil het niet]
8. dat valt me koud op het dak
[dat is een onaangename verrassing, het overvalt me]
9. het gaat van een leien dakje
[heel gemakkelijk en vlot]
10. de mussen vallen dood van het dak
[het is heel warm]
11. iemand iets op zijn dak schuiven
[hem ermee opzadelen]
12. iemand op je dak krijgen
[met iemand te maken krijgen zonder dat je dat wilt]

Zelfstandig naamwoord: dak
het dak
de daken
het dakje

daad, daar, daarom, dadelijk, dag, dagelijks, dak, dal, dalen, dame, dampkring, dan, dank, dankbaar, dansen, dapper, dashboard, data, databank, dateren, datum, dealer, debat, decadent, december, decimaal, deel, deelnemen, definitief, degelijk, aan, aanbieden, aanbranden, aandacht, aandoen, aandrijven, aangeven, aangezien, aanhouden, aankijken, aankleden, aankomen, aankoop, aanleg, aanleiding, aannemen, aanpakken, aanpassen, aanraken, aanranden, aanrijding, aansnijden, aansteken, aantal, aantonen, aantrekken, aanvaarden, aanvallen, aanvankelijk, aanvoerder

Dutch

Woordenboeken

  • Nederlands Nederlands
  • Nederlands Woordenboek

    Het Nederlands is een West-Germaanse taal, de meest gebruikte taal in Nederland en België, de officiële taal van Suriname en een van de drie officiële talen van België. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden is het Nederlands ook een officiële taal van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Het Nederlands is na Engels en Duits de meest gesproken Germaanse taal.

    In de Europese Unie spreken ongeveer 25 miljoen mensen Nederlands als eerste taal, en een bijkomende acht miljoen als tweede taal. De Franse Westhoek en de regio rondom de Duitse stad Kleef zijn van oudsher Nederlandstalige gebieden, waar Nederlandse dialecten mogelijk nog gesproken worden door de oudste generaties. Ook in de voormalige kolonie Indonesië kunnen in sommige gebieden de oudste generaties nog Nederlands spreken. Het aantal sprekers van het Nederlands in de Verenigde Staten, Canada en Australië wordt geschat op ruim een half miljoen.

    Het Afrikaans, een van de officiële talen van Zuid-Afrika, is een dochtertaal van het Nederlands en beide talen zijn onderling verstaanbaar.

    Dutch