Wat is bol in het Nederlands?

Bijgewerkt: 18-07-2026 by Wikilanguages.net
☞ share facebook ☞ share twitter

Wat is bol in het Nederlands?. Online Nederlandstalig woordenboek. Wikilanguages.net is een gratis online woordenboek voor de Nederlandse taal. Dit is een professioneel en up-to-date woordenboek geschreven door ervaren woordenboekmakers.

Wat is bol in het Nederlands? - Nederlands woordenboek

bol pronunciation bol
bol - zelfstandig naamwoord1. bovenste deel van het lichaam, met ogen, neus, mond, etc.♢ iemand een aai over zijn bol geven1. iemand een aai over zijn bol geven [een compliment geven]2. het is hem in de bol geslagen [hij is gek geworden]3. het hoog in de bol hebben [veel willen bereiken]

bol - Nederlands woordenboek

bol

bol - zelfstandig naamwoord

1. bovenste deel van het lichaam, met ogen, neus, mond, etc.
♢ iemand een aai over zijn bol geven
1. iemand een aai over zijn bol geven
[een compliment geven]
2. het is hem in de bol geslagen
[hij is gek geworden]
3. het hoog in de bol hebben
[veel willen bereiken]
4. een knappe bol
[een intelligente, geleerde persoon]
2. dikke wortel
♢ als je deze bollen in de grond stopt, heb je in het voorjaar narcissen
3. voorwerp dat aan alle kanten rond is
♢ we leven op de aardbol

Zelfstandig naamwoord: bol
de bol
de bollen
het bolletje

Synoniemen
hersens, hoofd, knol, kop

bol

bol - zelfstandig naamwoord

1. bovenste deel van het lichaam, met ogen, neus, mond, etc.
♢ iemand een aai over zijn bol geven
1. iemand een aai over zijn bol geven
[een compliment geven]
2. het is hem in de bol geslagen
[hij is gek geworden]
3. het hoog in de bol hebben
[veel willen bereiken]
4. een knappe bol
[een intelligente, geleerde persoon]
2. dikke wortel
♢ als je deze bollen in de grond stopt, heb je in het voorjaar narcissen
3. voorwerp dat aan alle kanten rond is
♢ we leven op de aardbol

Zelfstandig naamwoord: bol
de bol
de bollen
het bolletje

Synoniemen
hersens, hoofd, knol, kop

baan, baard, baas, babbelen, baby, bad, bagage, bakker, bal, banaan, band, bang, bank, banket, bankschroef, bar, barricade, basis, bassin, bed, bedanken, bedenken, bedienen, bedoelen, bedrag, bedragen, bedriegen, bedrijf, bedrog, beeld, ober, ochtend, oefenen, offerte, officieel, officier, ofschoon, ogenblik, oktober, olie, om, oma, omdat, omdraaien, omgaan, omgeving, omheen, omhoog, omhullen, omkeren, omkopen, omlaag, omroep, omroepster, omstandigheid, omstreeks, omtrek, omtrent, onafhankelijk, onbaatzuchtig

Dutch

Woordenboeken

  • Nederlands Nederlands
  • Nederlands Woordenboek

    Het Nederlands is een West-Germaanse taal, de meest gebruikte taal in Nederland en België, de officiële taal van Suriname en een van de drie officiële talen van België. Binnen het Koninkrijk der Nederlanden is het Nederlands ook een officiële taal van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Het Nederlands is na Engels en Duits de meest gesproken Germaanse taal.

    In de Europese Unie spreken ongeveer 25 miljoen mensen Nederlands als eerste taal, en een bijkomende acht miljoen als tweede taal. De Franse Westhoek en de regio rondom de Duitse stad Kleef zijn van oudsher Nederlandstalige gebieden, waar Nederlandse dialecten mogelijk nog gesproken worden door de oudste generaties. Ook in de voormalige kolonie Indonesië kunnen in sommige gebieden de oudste generaties nog Nederlands spreken. Het aantal sprekers van het Nederlands in de Verenigde Staten, Canada en Australië wordt geschat op ruim een half miljoen.

    Het Afrikaans, een van de officiële talen van Zuid-Afrika, is een dochtertaal van het Nederlands en beide talen zijn onderling verstaanbaar.

    Dutch